V1 - Het verhaal van Otto van Wittelsbach
Kelheim, Beieren, 1209. Paltsgraaf Otto van Wittelsbach is na zijn gruweldaad (de koningsmoord op koning Philipp IV) nergens veilig. Hij is door de nieuwe koning Otto in de acht gedaan en er wordt verbeten jacht op hem gemaakt door hofmaarschalk Hendrik van Kalden en zijn mannen. Ze krijgen hem te pakken in de bossen bij Kelheim, enkele uren buiten Regensburg, waar Otto van Wittelsbach zich heeft verstopt in een abdijschuur. Zijn hoofd wordt in de Donau geworpen, op de plaats waar de rivier zich vertakt naar het zuiden en het westen. Het zal nog jaren duren voordat zijn lichaam, dat al die tijd in een ton bewaard werd, door de monniken van klooster Indersdorf wordt begraven. Dat verhaal wordt hieronder verteld.
********

De sporen in de sneeuw waren duidelijk: de ruiters hadden zich opgesplitst. Vijf van hen hadden de weg naar het noorden genomen, die naar Regensburg leidde. Het spoor van de andere vier boog af naar het westen. Hendrik van Kalden sloeg de kap van zijn mantel terug.
“Hoogstens nog twee uur voorsprong”, zei de verkenner. Hij hing laag uit het zadel om de sporen goed te kunnen lezen.
“Ze hebben geen halt gehouden voordat ze zich opsplitsten. Ze hebben haast.”
“Hij kent de weg in Beieren”, zei de maarschalk.“Overleg was niet nodig. Het plan was al gemaakt. Hoe ver is het naar Regensburg?”
“Vier uur, misschien minder als ze verse paarden kunnen krijgen. Dan zijn ze nog voor de avondklok in Regensburg.”
“De andere weg?”
“Die leidt naar de rivier. Er is geen brug. Je moet daar of naar Kelheim, of terug naar het zuiden.”
“Nee, niet naar het zuiden. Daar komt hij vandaan. Kelheim?”
“Goed twee uur.”
“En van daaruit?”
“Stroomafwaarts naar Regensburg. Anders naar het westen. Terug richting Neurenberg.”
“Wat is zijn beste keus?”
“Als ik hem was, zou ik de grote weg naar Regensburg nemen. Dat is sneller en niet erg gevaarlijk. Met deze kou zijn er weinig mensen onderweg.”
Hendrik knikte. “Dat lijkt mij ook. Regensburg is duidelijk de beste keus. Daarom kiest hij daar juist niet voor. We nemen de andere weg.”
De jacht op de paltsgraaf was in november begonnen. Als vogelvrije was hij nergens nog veilig vanaf het moment dat Koning Otto hem in de acht had gedaan. Alle aanwezigen op de hofdag in Frankfurt waren diep geroerd geweest door het verdriet van de dochter van Philipp. Samen met de kanselier had de kleine Beatrix haar opwachting gemaakt bij de koning. Fier rechtop was ze de grote zaal binnengekomen en op koning Otto afgelopen. Maar toen die vriendelijke welkomstwoorden tot haar had sprak, was het haar teveel geworden. Heftig snikkend, en met een rood hoofd, had ze haar verhaal verteld. Hortend en stotend, en soms bijgestaan door kanselier Koenraad, vertelde ze over die junidag in Bamberg, toen Otto van Wittelsbach, de eerloze Beierse paltsgraaf, zich had bezondigd aan dat grootste, meest ondenkbare van alle misdrijven.
Toen ze haar verhaal beëindigd had, en met gebogen hoofd voor hem neerknielde, was het lang moedeloos stil gebleven in de hofzaal. Er viel niets meer te zeggen. Een koningsmoord was een daad van heiligschennis waarvan de reikwijdte de meeste aanwezigen ook maanden later nog te boven ging. Het was zonde tegen de natuur zelf, druiste lijnrecht in tegen de door God geschapen orde. Geen straf was erg genoeg om deze misdaad te bestraffen. Maar het zou nooit genoeg zijn. De schande en de zonde kon met geen bloed worden uitgewist.
Hendrik van Kalden had roerloos geluisterd naar het verhaal. Het had geleken dat, met de dood van Philipp van Zwaben, ook aan zijn eigen leven een einde was gekomen. Zijn leven lang had hij de Staufen gediend, net als zijn vader, de rijksmaarschalk van keizer Frederik. Samen met hen was Herman opgetrokken naar het Heilig Land. Beiden waren nu dood, zijn vader en de keizer. Na terugkeer in Duitsland was hij hofmaarschalk geworden van Koning Hendrik. Hij had hem begeleid naar Milaan, had de Rometocht met hem gemaakt, de veldtochten naar Italië ondernomen – het leek alweer zo lang geleden. Aan het hoofd van de keizerlijk legers had hij voor Hendrik de weg naar Sicilië geopend, ontelbare burchten veroverd, steden platgebrand, dood en verderf en gezaaid – net zolang tot het gezag van de keizer overal erkend werd en iedereen zijn naam duchtte. Op Sicilië had hij de opstand van de baronnen met ijzeren hand neergeslagen. Onbarmhartigheid was de enige taal die Sicilianen verstonden. Hij had aan het sterfbed van de keizer gestaan en had niet willen luisteren naar wat de boze tongen zeiden over de rol van de keizerin. Daarna was hij teruggekeerd naar Duitsland en had zijn diensten aangeboden aan Philipp, de broer van de keizer. Hij was hem altijd trouw gebleven, ook toen Otto tot tegenkoning werd gekozen en er grote verdeeldheid heerste onder de vorsten.
Hendrik van Kaldens trouw was vanzelfsprekend, en onvoorwaardelijk. Geleidelijk aan had Philipp aan kracht gewonnen, Otto aan kracht verloren. Nog geen twee jaar geleden hadden de twee een bestand gesloten en Otto had aangeboden af te zien van zijn aanspraken op de kroon. Die middag in het Bamberg had aan alles een eind gemaakt. Hendrik van Kalden had lang nagedacht over wat hem te doen stond. Uiteindelijk had hij besloten dat zijn trouw aan het koningschap was. In november hadden de vorsten Otto opnieuw tot koning gekozen. Ook de Stauferpartij had met de verkiezing ingestemd. Dat maakte het hem mogelijk zijn knie te buigen voor Otto van Brunswijk, net zoals kanselier Koenraad van Scharfenberg en de andere ministerialen hadden gedaan.
Nu het tijdperk van de Staufer over was, gold hun trouw het rechtmatige koningschap van Otto.
De Donau boog naar het oosten. Tot aan de oever waren grote stukken bos gekapt en in cultuur gebracht als landbouwgrond. Ze naderden een ommuurde hoeve. Werklieden in korte grijze boezeroenen kwamen aanlopen en keken nieuwsgierig naar hen op toen zij het erf opreden. Uit de deur van een grote voorraadschuur kwam een monnik op hen af.
“Gods vrede zij met u, heren. Welkom op onze hoeve. Als u ons toestaat, wil ik u graag gastvrijheid aanbieden. Een maaltijd en een slaapplaats voor de nacht. Zo te zien bent u aan rust toe, net zoals uw paarden.”
“Tot welk klooster behoort deze hoeve?” vroeg Hendrik van Kalden zonder op de vraag van de monnik in te gaan. Zijn ogen gleden over de modderige sporen op het erf en langs de degelijk gebouwde schuren en bijgebouwen. Werktuigen, tientallen varkens, ganzen en geiten. Vanuit de schuren kwamen de geluiden van nog meer vee, runderen en paarden. Verderop lag een visvijver.
“Uw hoeve is welvarend, zo te zien.”
“Met Gods genade gaat het ons niet slecht”, zei de monnik. “Deze hoeve en al het omliggende land zijn het eigendom van klooster Oberndorf.”
“Er zijn ruiters over de weg gekomen. Waar zijn ze heen gegaan?"
De monnik haalde zijn schouders op. “Er is hier niemand geweest.”
“Lieg niet, monnik. Ze moeten hier hoogstens een paar uur geleden langs gekomen zijn. Zeker vier man. Houd je ze soms in je schuren verborgen?”
“Vergeeft u mij, heer. Ik spreek de waarheid. Er is de hele dag niemand geweest. Als het anders was, zou ik het zeggen. Kijkt u gerust in onze schuren, in de stallen en op de hooizolders. Wij houden niemand verborgen. U zult op deze hoeve alleen monniken en werklieden aantreffen. Geen vreemden. Niemand die hier niet hoort.”
“Hoe ver strekt het gebied van het klooster zich uit?”
“Tot aan de grens van Regensburg. Voorbij Kelheim en de splitsing van de rivier.”
“Hoe ver is het tot de volgende plaats?”
“Als u bij Kelheim de brug oversteekt, is het nog twee uur gaans tot Abbach. Een klein boerengehucht verderop in het dal. Ik denk niet dat u het nog voor het donker bereikt. Weet u zeker dat u geen onderdak voor de nacht wenst?”
“Wat is er nog op de weg daarheen?”
De monnik schudde het hoofd. “Alleen bos, akkers, en weidegrond van het klooster. En nog wat schuren bij de rivier. Meer niet.”
Zonder te groeten keerde Hendrik van Kalden en gaf zijn paard de sporen, onmiddellijk gevolgd door zijn gewapende ruiterij. De kluiten modder spatten hoog op.
“Hij is daar geweest”, zei Hendrik tegen de ridder die naast hem kwam rijden. “In de hoeve zelf is hij niet, maar wel dichtbij.”
“Hoe weet u dat?”
“Die monnik loog niet”, grijnsde de maarschalk, “maar de waarheid sprak hij ook niet. Hij vergat vragen te stellen. Hij vroeg niet eens wie we zochten. Hij wist dus precies wie we waren en naar wie we op jacht zijn. Al het land hier is van klooster Oberndorf. Augustijnen; dat zegt genoeg. Klooster Indersdorf is van dezelfde orde. Ze zullen de paltsgraaf hier niet verraden. Een van zijn voorouders is de stichter van hun klooster.”
Kelheim lag aan de oever aan de rivier. Het begon al iets te schemeren. Rook steeg op uit de eenvoudige huizen die dicht op elkaar stonden. Vanaf de lage helling zagen zij vrouwen die rieten manden droegen en hoorden zij het gelach van de spelende kinderen. Hendrik van Kalden keek om zich heen. Het was te gewoon. Als de paltsgraaf zich ergens in dit dorp verborgen hield, zouden ze hun vrouwen en kinderen binnen houden. Hij keek om zich heen. De verkenner wees naar een plek halverwege de helling.
Onopvallend in een bocht van de weg, omringd door struiken en lage bomen, stonden twee eenvoudige schuren.“Daar. Die sporen zijn vers. Twee paarden. En voetstappen. Er is daar iemand maar ze durven geen vuur te maken.”
Hendrik van Kalden knikte. Op zijn teken verspreidde de ruiterij zich en omsingelde de twee schuren. Hij steeg af en trok zijn zwaard. Hij had verlangd naar dit moment en gehoopt dat het hem voldoening zou schenken. Maandenlang had hij de graaf door het hele land opgejaagd. Van Bamberg naar Erlangen, verder naar Neurenberg en toen naar zijn burcht bij Augsburg. Maar ook daar had Hendrik hem verdreven. Toen zijn burcht in de as was gelegd, was de paltsgraaf terug naar het noorden gevlucht, in de richting van Regensburg. Nu hij de moordenaar van zijn koning eindelijk te pakken had, voelde maarschalk Hendrik van Kalden niet meer dan een lichte vermoeidheid, als een doffe herinnering van verdriet.
Een kraai vloog krassend op toen de lage deur van de linker kloosterschuur krakend open ging. De man die uit het donker naar buiten kwam was vuil en groezelig gekleed. Hij was ongewapend. Zwarte vegen in het gezicht. Hij droeg een licht kolder, maar geen helm. Hij liep wankelend op Hendrik van Kalden af, met geheven handen alsof hij om genade vroeg. Hendrik van Kalden hield de man naast hem tegen. Hij zou de straf eigenhandig voltrekken.
Dezelfde, ene zwaardhouw waarmee het hoofd van Otto van Wittelsbach van zijn romp gescheiden werd, hieuw ook zijn hand af die hij beschermend voor zijn gezicht had gehouden. Het was zijn rechterhand. Dezelfde hand die hij had geheven tegen zijn vorst.
