G4 - De Joden van Fulda

de joden van Fulda: Frederik als rechter
Begin 1236, tijdens zijn tweede verblijf in Duitsland, keizer Frederik II in zijn favoriete kasteel in Hagenau geconfronteerd werd met het probleem van de Jodenvervolging, op een wijze die hem in Sicilië volledig onbekend was.
Een groep verontruste burgers uit Fulda kwam met een zware klacht bij de keizer. Zij beweerden dat joden uit hun stad christenkinderen hadden vermoord en het bloed gebruikten voor geheime rituelen rondom het Pesachfeest. De beschuldiging van rituele kindermoorden had in Fulda en andere steden geleid tot pogroms, waarbij tientallen joden door kruisvaarders waren gefolterd en vermoord.
Achtergrond van een en ander was een brand die tijdens de kerstdagen van 1235 had gewoed in het huis van een molenaar in de buurt van Fulda. Daarbij waren vijf kinderen omgekomen. De joden werden hiervoor verantwoordelijk gehouden – hoewel later vermoed werd dat de brand was gesticht door een bende kruisvaarders.
Keizer Frederik II, die de Talmoed voldoende kende om te weten dat de beschuldigingen van bloedoffers onzinnig waren, nam de zaak niettemin serieus in behandeling. Hij wilde daarmee tonen dat het hem ernst was zijn onderdanen recht en vrede te verschaffen. Ook wilde hij de Duitse vorsten een voorbeeld geven van onpartijdige rechtspraak en grondige waarheidsvinding. De keizer gelastte daarom een diepgaand onderzoek. Hij zei dat hij alle joden in zijn rijk zou laten doden als zou blijken dat de beschuldigingen op waarheid berustten.
Frederik nodigde uit alle windrichtingen vorsten, magnaten, edelen, bisschoppen en abten naar Hagenau om in een tribunaal hun raad te horen. Ook stuurde hij gezanten naar christenkoningen in andere landen (o.a. koning Hendrik III van Engeland). Hij verzocht hen zoveel mogelijk tot het christendom bekeerde joden af te vaardigen. Als geen ander waren zij immers bekend met de Mozaïsche wetten en Hebreeuwse gebruiken. Als bekeerlingen hadden zij bovendien geen reden om het Judaïsme te verdedigen.
Uit het onderzoek dat vervolgens werd gehouden, bleek dat er voor rituele kindermoorden geen enkel bewijs geleverd kon worden. Overduidelijk kwam naar voren dat voor de joodse wet iedere vorm van mensenoffers een gruwelijk misdrijf is. Tijdens de zitting verklaarden alle getuigen dat de joodse wetten bloedoffers verbieden. De Tora en de Talmoed zetten juist hoge straffen op bloedoffers.
De grondigheid en de uitgebreidheid van het onderzoek nam iedere twijfel weg over de juistheid van het oordeel. Enkele maande later vaardigde Frederik een verordening uit (Privilegium et Sententia in Favorem Iudaeorum, Augsburg juli 1236) waarbij loze beschuldigingen tegen joden strafbaar werden gesteld. Ongeacht of de beschuldigingen afkomstig waren van door leken of geestelijken, van lage of van hoge stand.
Overigens kregen de joden van Fulda wel een forse geldboete opgelegd: voor het veroorzaken van onrust.
De uitkomst van het tribunaal werd onmiddellijk ter kennis van de paus gebracht: het oordeel van de keizer werd gezien als gruwelijke daad van ketterij. Ook in Duitsland zelf bestond er weinig waardering voor dat Frederik de christenen geen gelijk had gegeven. De werkwijze en de bescherming die de joden voortaan geboden werd, druiste zo in tegen de gangbare denkbeelden dat er grote ontevredenheid bestond over de uitspraak.
Toch bleven Frederiks inspanningen om te oordelen op basis van feiten en niet op basis van geruchten niet zonder gevolg. Nog tien jaar later maande paus Innocentius IV de Duitse bisschoppen om betere bescherming te bieden aan de joden. Zij waren door wereldlijke en geestelijke vorsten waren beroofd en vervolgd onder hetzelfde voorwendsel: dat zij tijdens de feestelijkheden rondom Pasen christelijke jongetjes zouden hebben gedood. Paus Innocentius wees erop – in soortgelijke bewoordingen als Frederik had gedaan – dat dergelijke daden tegen de joodse wetten indruisen.

Tijdens zijn tweede verblijf in Duitsland, toen hij als keizer op het hoogtepunt van zijn macht stond, kreeg Frederik te maken met een ernstig geval van "bloedlaster" tegen Joden. Het probleem van Jodenvervolging was hem - zeker op deze manier en in deze heftigheid -  volledig onbekend . Jodenhaat kwam in Zuid-Europa toch al minder voor, en was al helemaal afwezig aan het Siciliaanse hof, waar Joodse geleerden even vanzelfsprekend en gerespecteerd waren als christelijke en moslimgleerden. Door zijn ontwikkeling en opvoeding had Frederik niets van de bekrompenheid waarop antisemitisme, anti-islamisme en andere vormen van xenofobie zo welig tieren. Ook tegenwoordig nog. 

Begin januari 1236 meldde een groep verontruste burgers uit Fulda zich aan het hof van de keizer in Hagenau. Zij beweerden dat Joden uit hun stad christenkinderen hadden vermoord om het bloed te gebruiken voor duistere rituelen rondom het Pesachfeest. Beschuldigingen van rituele kindermoorden hadden al eerder in Fulda en andere steden (Spiers, Woms, Mainz, Trier, Keulen) geleid tot pogroms, waarbij grote aantallen Joden waren gedood. Kruisvaarders speelden daarbij een belangrijke rol. Bij iedere kruistocht vonden pogroms plaats waarbij duizenden Joden werden afgeslacht. Voor wie het Heilig Land te ver was, was het vermoorden van Joden een geschikte uitlaatklep voor godsdiensthaat, rassenhaat en vreemdelingenhaat. En omdat de Joden immers de moordenaars van Christus waren, kwamen zij als eerste voor uitroeiing in aanmerking. 

In dit geval was de aanleiding een brand die tijdens de kerstdagen van 1235 had gewoed in het huis van een molenaar in de buurt van Fulda. Daarbij waren vijf kinderen omgekomen. De Joden van de stad werden hiervoor verantwoordelijk gehouden – later werd vermoed dat de brand was gesticht door een bende kruisvaarders. 
Volgens sommige bronnen zouden de christenen van Fulda de lijken van de verbrande kinderen als gruwelijk bewijsmateriaal hebben meegebracht naar het hof in Hagenau. Daarmee geconfronteerd, zou Frederik met afschuw hebben gezegd: "Als ze dood zijn, begraaf hen dan; een ander doel dienen ze niet meer."

 

Frederik II als rechter

Frederik, die de Talmoed voldoende kende om te weten dat de beschuldigingen van bloedoffers onzinnig waren, nam de zaak niettemin serieus in behandeling. Hij wilde aantonen dat het hem ernst was zijn onderdanen recht en vrede te verschaffen. Ook wilde hij de Duitse vorsten een voorbeeld geven van onpartijdige rechtspraak en grondige waarheidsvinding. De keizer gelastte daarom een diepgaand onderzoek en verklaarde alle Joden in zijn rijk te zullen laten doden als zou blijken dat de beschuldigingen op waarheid berustten.

Frederik nodigde uit alle windrichtingen vorsten, edelen, bisschoppen en abten naar Hagenau om in een tribunaal hun raad te horen. Ook stuurde hij gezanten naar christenkoningen in andere landen (o.a. koning Hendrik III van Engeland). Hij verzocht hen zoveel mogelijk tot het christendom bekeerde Joden af te vaardigen. Als geen ander waren zij bekend met de Mozaïsche wetten en Hebreeuwse gebruiken. Als bekeerlingen hadden zij bovendien geen reden om het Judaïsme te verdedigen. 

Uit het onderzoek dat werd gehouden, bleek dat er voor rituele kindermoorden geen enkel bewijs geleverd kon worden. Overduidelijk kwam naar voren dat voor de joodse wet iedere vorm van mensenoffers een gruwelijk misdrijf is. Tijdens de zitting verklaarden alle getuigen dat de joodse reinheidswetten bloedoffers verbieden. De Tora en de Talmoed zetten juist hoge straffen op bloedoffers.

De grondigheid en de uitgebreidheid van het onderzoek nam iedere twijfel weg over de juistheid van het oordeel. Enkele maanden later vaardigde Frederik een verordening uit (het "Privilegium et Sententia in Favorem Iudaeorum", Augsburg juli 1236) waarbij hij de Joden onder zijn persoonlijke bescherming plaatste en loze beschuldigingen tegen hen strafbaar stelde - ongeacht of ze werden gedaan door leken of van geestelijken, door het gewone volk of door edelen. 

Overigens kregen de Joden van Fulda wel een forse geldboete opgelegd: voor het veroorzaken van de onrust....

 

Het vervolg

De uitkomst van het opzienbarende tribunaal werd onmiddellijk ter kennis van de paus gebracht: het oordeel van de keizer werd gezien als gruwelijke daad van ketterij. Ook in Duitsland zelf bestond er weinig waardering voor dat Frederik de christenen geen gelijk had gegeven. De werkwijze en de bescherming die de Joden voortaan geboden werd, druiste zo in tegen de gangbare denkbeelden dat er grote ontevredenheid bestond over de uitspraak.

 

Toch bleven Frederiks inspanningen om te oordelen op basis van feiten en niet op basis van geruchten niet zonder gevolg. Nog tien jaar later, toen Frederik zelf al verguisd werd, maande paus Innocentius IV de Duitse bisschoppen betere bescherming te bieden aan de Joden. Zij waren door wereldlijke en geestelijke vorsten beroofd en vervolgd onder het bekende  voorwendsel: dat zij tijdens de feestelijkheden rondom Pasen christelijke jongetjes zouden hebben gedood. Paus Innocentius wees erop – in soortgelijke bewoordingen als Frederik had gedaan – dat dergelijke daden tegen de joodse wetten indruisen.
Het is nauwelijks voor te stellen hoe anders de loop van de geschiedenis had kunnen zijn als Frederiks rechtvaardige en rechtlijnige benadering meer navolging had gekregen.
Hoe zou Europa er vandaag de dag uitzien als niet het negeren, gedogen en propageren van antisemitsme tot de Europese traditie was gaan behoren, maar het consequent verfoeien en terugdringen ervan?