G2 - Sicilie als modelstaat
Sicilië: ambtenarenstaat
Met de Wetten van Melfi maakt Frederik een eind aan bestuur gebaseerd op willekeur, en wekt hij het bijna vergeten concept van Res Publica, de Staat, tot nieuw leven. Een Staat die zich baseert op Recht, Natuur en Verstand. Frederik maakt van Sicilië de eerste ambtenarenstaat uit de geschiedenis.
Het principe dat ambtenaren besturen in naam van de Keizer, wordt ver doorgevoerd. Niet alleen handelen zij in opdracht van de Keizer en in zijn naam, zij vervangen zijn persoon en handelen letterlijk in zijn plaats. Dat heeft verstrekkende consequenties. Kritiek op ambtenaren is niet gewenst: wie kritiek heeft op de ambtenaren, heeft kritiek op de Staat. Dat is geen kleinigheid want de Keizer en de Staat zijn één en onafscheidelijk: verzet tegen de één is verzet tegen de ander. Wie de beslissing van de Keizer in twijfel trekt, pleegt niet slechts majesteitsschennis en hoogverraad maar ook heiligschennis. Wie zich verzet tegen de Keizer, verzet zich immers tegen God. Dat is heiligschennis. Deze vergrijpen werden uiterst zwaar bestraft: met ophanging en verbeurdverklaring van alle goederen.
Maar het werkt ook andersom. Noblesse oblige. Wie geen kritiek wenst te krijgen, dient te zorgen dat zijn handelen boven elke kritiek verheven is.
Omdat zij besturen in zijn naam, verwacht Frederik hoge morele kwaliteiten van zijn beambten en rechters. Hij stelt hoge eisen aan zijn ambtenaren: zij dienen volstrekt onomkoopbaar te zijn en over voortreffelijke bekwaamheden te beschikken. Hun ambt wordt niet langer verleend als beneficium dat naar eigen inzicht en willekeur kan worden ingevuld. Het wordt een officium, een opgelegde taak waaraan eisen wordt gesteld en waarop toezicht wordt uitgeoefend. Frederik houdt de vorstelijke teugels strak in handen. Ambten zijn niet langer overdraagbaar of overerfbaar en het aanstellen van nieuwe ambtenaren wordt strikt voorbehouden aan de Kroon.
De sancties liegen er niet om. Een stad die zonder toestemming een ambt verleent, wordt tot de grond toe afgebroken. Wie op deze manier een ambt aanvaardt, wordt onthoofd. Ambtenaren die zich toch schuldig maken aan omkoopbaarheid of ambtsmisbruik, worden met schande overdekt uit het ambt gezet, “cum perpetua infamia”.
Om hun onomkoopbaarheid te garanderen, werd de ambtstermijn van rechters en ambtenaren in de regel beperkt tot één jaar. Daarna moesten zij rekenschap afleggen over de uitvoering van hun ambt en zich verantwoorden bij eventuele klachten vanuit de bevolking van hun district. Iedere burger die een poging tot omkoping aangaf, kreeg het betreffende bedrag als beloning toegewezen, mits de omkoping tot een veroordeling kwam op basis van overtuigend bewijs. Om schone handen te houden, kregen rechters voortaan een vaste beloning in plaats van een gedeelte van de betwiste som. Dit diende hun onpartijdigheid te garanderen, net als de bepaling die hen verbood binnen hun district geschenken (“...geld, paarden of andere dieren, wapens of andere kostbaarheden...”) aan te nemen, een vrouw te trouwen of een huis of andere bezittingen te kopen. Omdat de meeste rechters ook leenmannen waren, konden zij sowieso niet trouwen zonder keizerlijke toestemming. (Het verbod zonder koninklijke toestemming te trouwen met een buitenlander geldt in diplomatieke kringen tot op de dag van vandaag.)
Zelfs met het nuttigen van maaltijden moesten ze oppassen: die mochten alleen genoten worden als het onvermijdelijk was, bij voorbeeld als zij zitting hielden in afgelegen plaatsen. Anders dan vroeger, toen rechters slechts eenmaal per maand zitting hielden, moesten zij voortaan dagelijks zaken horen, zon- en feestdagen uitgezonderd. Zij hadden geen vaste standplaats: hun hoofdopdracht was ononderbroken in hun provincie rond te reizen.
Het takenpakket van justitiaren omvatte meer dan rechtspraak alleen: zij hadden ook bestuurstaken, waren legeraanvoerders en rekruteerden leenridders en huurlingen. Daarnaast kreeg iedere justitiaar een aantal speciale taken opgedragen die op ieder gebied betrekking konden hebben: financiën, bestuur, universiteit, landbouw, bouwwerken, bestraffingen, leenzaken, huwelijksaangelegenheden en uiteindelijk ook zaken in het persoonlijke belang van de keizer: jachtdieren, zijn valken, paarden, de wildstand, de uitroeiing van wilde honden en wolven e.d.
Sicilië: modelstaat
De Wetten van Melfi tonen Frederiks streven naar volmaaktheid: de wetten vormen een blauwdruk voor een goed georganiseerde, gecentraliseerd en efficiënt bestuurde modelstaat waarin alle rechten en plichten aan de vorst onderworpen zijn. Een op volmaaktheid gericht absolutistisch bewind 500 jaar later de Franse koningen nog een punt konden zuigen. De heerschappij van een volmaakt vorst moet geworteld zijn in de mensen of in het land. Een natie die door genetische verwantschap onderling verbonden is en door absolute trouw aan zijn vorst. Sicilië was het enige rijk van Frederik dat hiervoor in aanmerking kwam. Duitsland was geen eenheid. De verschillende “stammen” (Zwaben, Franken, Saksen), voelden zich niet deel uitmaken van één land. Het Roomse Rijk was een idee, een ideaalbeeld – maar was in de beleving van de onderdanen geen eenheid waarmee men zich identificeerde.
Geografisch (aan drie kanten een eiland, en maar één grens in het noorden) en qua mentaliteit van de bevolking (de oriëntaalse onderworpenheid) was het koninkrijk Sicilië bij uitstek geschikt om één volk te scheppen. Taal, bloed, geloof en geschiedenis als gemeenschappelijke elementen waren in het zuidelijke rijk al aanwezig en werden verder gestimuleerd. Frederik streefde nadrukkelijk naar eenheid en uniformiteit: “Eenheid is Goddelijk, bontheid is des duivels”. Zelfs op de zuiverheid van het ras wordt gelet. Op straffe van goederenconfiscatie is het verboden zonder keizerlijke toestemming te trouwen met iemand die niet in Sicilië geboren is. "Zonder bijzondere toestemming van het hof is het geen zoon of dochter van het Rijk toegestaan het huwelijk aan te gaan met buitenlanders of vreemdelingen die niet uit het Rijk stammen." De keizer betreurt het "zo vaak is voorgekomen dat door de vermenging van verschillende volksstammen de zuiverheid van het Rijk door vreemde zeden schade heeft geleden."
godsdienstvrijheid
De Wetten van Melfi gaan uit van het principe van gelijkberechtiging en godsdienstvrijheid: de wet is dezelfde voor iedereen, ongeacht of zijn Christenen, Grieken, Saracenen of Joden zijn: een uitgangspunt dat ongekend tolerant en modern was voor zijn tijd. Het principe van godsdienstvrijheid, dat verbonden was aan de Wetten, was niet onbeperkt; de grens lag onverbiddellijk daar waar een godsdienstuiting een bedreiging voor de Staat zou betekenen. Frederik was beslist geen voorstander van vermenging van godsdiensten. Voor de herkenbaarheid had hij liever dat soort bij soort bleef. Om die reden was (al in de assisen van Capua) bepaald dat Joden speciale kleding moesten dragen en dat Joodse mannen een baard moesten dragen “opdat de riten van het christelijk geloof niet verward worden”. Ook financieel was het niet wenselijk dat Joden of Saracenen zich bekeerden tot het christendom: de hoofdcijns (“kopbelasting”), geboortebelasting, huwelijksbelasting e.d. voor niet-christenen zorgden immers voor flinke extra inkomsten.
Wie zich niet hield aan deze regels werd bestraft met confiscatie van zijn goederen of, als men arm was, met een brandmerk op het voorhoofd.
De vraag of Joden als vreemdelingen onderworpen waren aan de Staat of als ongelovigen onderworpen aan de Kerk, was voor Frederik geen probleem: hij behandelde hen, tot ergernis van paus Gregorius, als vreemdelingen, die als zodanig onder de Staat vielen. Fiancien speelden ook hierbij natuurlijk weer een rol.

