F2 - Frederik en sultan Al-Kamil
Hoewel Frederik en sultan Al-Kamil elkaar nooit persoonlijk ontmoet hebben, was hun verhouding bijna vriendschappelijk. Vanaf 1226, twee jaar voordat Frederik begon aan zijn kruistocht, werden er brieven en gezantschappen uitgewisseld tussen Foggia en Cairo.
De eerste aanleiding daarvoor was de strijd geweest tussen de drie Ayybidische broers om de erfenis van hun vader al-Adin, de broer van Saladin. De Egyptenaar Malik Al-Kamil had zich met Malik al-Asraf verbonden tegen de derde broer, Malik al-Moazzim, de sultan van Damascus. Met het aanknopen van contacten met de keizer, wilde de sultan proberen de hulp te krijgen van de Christenkeizer in zijn conflict met zijn broer al-Moazzim - en was bereid hem in ruil daarvoor Jeruzalem te bieden, dat nog in handen was van al-Moazzim.
Tegen de tijd dat Frederik naar het Heilig Land trekt, zijn de verhoudingen in het Nabije Oosten grondig veranderd. De krijgslustige al-Moazzim is in november 1227 onverwacht gestorven en heeft het sultanaat van Damascus nagelaten aan zijn 12-jarige zoon. Malik Al-Kamil heeft snel gebruik gemaakt van de gelegenheid en Jeruzalem en Nabloes veroverd. Hij heeft de militaire hulp van Frederik niet meer nodig, en heeft geen enkele reden meer om hem Jeruzalem te geven. Frederik komt in 1229 dus eigenlijk als ongenode gast op een hoogst ongelukkig moment. Het zou het aanzien van Al-Kamil bij zijn geloofsgenoten ernstig schaden als hij (te gemakkelijk) ingaat op onderhandelingen met de Franken. Al-Kamil is anderzijds volledig geïnformeerd over de netelige positie waarin Frederik zelf verkeert, de gewaagdheid van diens onderneming en zijn slechte verhouding met paus Gregorius IX, de “Kalief van de Christenen”.
Maar Frederik heeft geluk: de sultan ziet hem niet als vijand - en er is Frederik alles aan gelegen dat zo te houden. "Ik ben uw vriend" schrijft hij bij aankomst in Akko aan de sultan, om hem vervolgens in diplomatieke taal het doel van zijn tocht mee te delen. Zijn boodschappers, Thomas van Acerra en de Syrische baron Balian van Sidon, nemen de meest kostbare geschenken mee naar Nabloes, waar Al-Kamil verblijft sinds de verovering van Palestina.
Kosten noch moeiten worden gespaard om de sultan te overtuigen van Frederiks vriendschappelijke bedoelingen en om indruk op hem te maken wat betreft belezenheid, ontwikkeling en rijkdom. Valken, boeken en wapens, kostbare paarden, stoffen en prachtige juwelen werden als geschenk aangeboden. Niet minder hoffelijk dan de keizer, antwoordt de Sultan dat hij Jeruzalem niet kon opgeven zonder de toorn van alle mohammedanen op te wekken. Tegelijk stuurt hij als onderhandelaar zijn vertrouweling, emir Fahr ed-Din met geschenken waarvan de waarde de geschenken van de keizer nog te boven gaan: goud, zilver, kostbare stoffen, edelstenen, een boom van zilver met vogels die zingen als de wind er langs waait, opnieuw een olifant, de allerbeste renkamelen, dromedarissen, luipaarden, rivierpaarden, hyena's, beren en apen. Er worden allerlei hoffelijkheden, boodschappers en meningen uitgewisseld. Inhoudelijk komt men niet ter zake: heel Arabisch wordt er om de hete brij heen gedraaid en wordt de eigenlijke zaak verzwegen. Maar de menselijke verhoudingen worden steeds beter. Met grote hoffelijkheid, beleefdheid en voorkomendheid gaat men met elkaar om.
Frederik krijgt een steeds nauwere band met deze emir Fahd ad-Din en voert gesprekken op hoog wetenschappelijk niveau met hem. Het contact wordt enorm bevorderd doordat Frederik vloeiend Arabisch sprak, de Arabische dichters kent en weet hoe hij zijn verbazingwekkende kennis van filosofie, logica, mathematiek, staatsinrichting en artsenijkunde moet vervlechten in filosofische gesprekken waar Arabieren zo van houden. Fahd ad-Din zal hier ongetwijfeld Al-Kamil over geïnformeerd hebben, met wie Frederik geometrische en algebraïsche vraagstukken uitwisselt. Als Fahd ad-Din het antwoord op bepaalde wetenschappelijke vragen schuldig moet blijven, zorgt hij ervoor dat het antwoord wordt gegeven door de meest eminente Arabische geleerden. Ook op het gebeid van de valkenjacht leert Frederik flink wat bij van de Arabieren. Zo ziet hij voor het eerst dat de Arabieren valken een kapje opzetten; Al-Kamil stuurt hem zijn meest ervaren valkeniers met allerlei soorten valken.
De Arabieren bewaren sowieso een goede herinnering aan Frederik, die zij bijna zien als een van hen. De keizer gaat respectvol met hen om, heeft grote bewondering voor hun geleerdheid, die de bron is van alle kennis in het Avondland, en toont zijn belangstelling voor hun godsdienst, cultuur en gebruiken. Vooral door hun kennis van de natuur(wetten) maakt diepe indruk op hem. De Arabieren op hun beurt hebben grote bewondering voor Frederik vanwege zijn macht, zijn kennis en zijn moed om de strijd aan te gaan met de “Kalief van de Christenen” en hem weg te jagen. Nog een eeuw na zijn dood hadden de Arabieren niet vergeten wat je moest doen om in het Westen de macht te hebben: bevriend zijn met de Paus, Milaan in je macht hebben, en een goede astroloog bezitten.
Wat interesses betreft, lijkt Malik Al-Kamil het Arabische evenbeeld van Frederik. Ook hij is een vriend van kunsten en wetenschappen, schrijft verzen, is een kenner van de krijgskunst en de valkenjacht en een liefhebber van raspaarden. Hij houdt van geleerde disputen over kwesties van jurisprudentie en grammatica. "Iedere avond in zijn bergslot verzamelden zich vijftig geleerden op divans rond zijn troon, met wie de sultan zich onderhield." Al-Kamil gaf veel geld uit aan de wetenschap, stichtte in Cairo een school voor de wetenschap der tradities. Net als Frederik roemt men zijn beschaafde manieren en zijn strenge, respect inboezemende houding. Ook was Al-Kamil een voortreffelijk bestuurder die belastinglijsten zelf controleerde en nieuwe, nog niet bedachte belastingen uitvond. Net als Frederik was hij niet uit op onnodig bloedvergieten als hij zijn doel ook op een andere manier kon bereiken. Net als Frederik voerde hij als bestuurder een strak centralistisch bewind, zonder overleg met de Groten van zijn rijk, waarbij hij voorrang gaf aan economische en financiële vraagstukken. Frederiks ideeën over zijn godgegeven missie, de wonderbaarlijke goddelijke voorzienigheid die steeds met hem lijkt te zijn, sluiten precies aan op het autocratische gezag dat Al-Kamil uitoefent. Frederik heeft zich hieraan gespiegeld – en komt er nooit meer helemaal los van.
De vriendschap tussen Frederik en Malik Al-Kamil gaf volop voeding aan verhalen en geruchten. Volgens één verhaal zou de natuurlijke moeder van Frederik van Antiochië de zuster van de sultan zijn. Volgens het verhaal van een Engelse pelgrim zou Frederik getrouwd zijn met de dochter van de sultan en met nog 50 andere Saraceense vrouwen.
Patriarch Gerold van Jeruzalem brengt uitvoerig en geschokt verslag uit van Frederiks gedrag: hoe hij zich op oosterse wijze vermaakt en zich op geen enkele manier van een Saraceen onderscheidt. "Wat wij verder met grote waarachtigheid en schaamte berichten is dat de Sultan, toen hij hoorde dat de Keizer op Saraceense wijze leeft, hem zangeressen stuurde die ook danseressen worden genoemd, alsmede goochelaars. Personen derhalve die niet alleen verdorven zijn maar waarover men onder Christenen niet eens dient te spreken. Met dergelijke personen vermeit de Wereldvorst zich bij avondlijke gelagen, bij Saraceense dranken, in Saraceense kleding - in ieder opzicht als Saraceen." Ook op het gebied van de valkenjacht leerde Frederik veel van de Arabieren. Hij noteert in zijn Valkenboek gezien te hebben dat ook de Arabieren bij de valkenjacht een kap gebruiken. Hij maakte de mohammedaan Moamin - die een verhandeling over valken had geschreven - tot zijn hoogste valkenier.

In 1232 krijgt Frederik van de sultan een astrolabium ten geschenke: een rijkversierde tent als planetarium - met een weergave van de sterrenhemel in goud en juwelen; met behulp van een verborgen mechanisme werd de loop van zon, maan en sterren aangegeven en de wisseling van jaargetijden. Behalve als kaart van de hemelen, werkt het ook als een uurwerk dat de tijd aangeeft, en veel beter is dan enig wateruurwerk. Er bestaan op dat moment slechts twee van deze astrolabia: het andere planetarium staat in het paleis van Al-Kamil in Damascus. Een verbluffend geschenk; Frederik noemt het "het meest kostbare geschenk op aarde na mijn zoon Koenraad."
Als tegengeschenk laat Frederik de Sultan onder meer een ijsbeer brengen, die - tot ontsteltenis van de Arabieren - alleen maar vis blijkt te eten.
