O1 - De dood van Frederik

 

Eind november 1250 is Frederik vanuit Foggia op jacht gegaan, als hij wordt overvallen door een zware aanval van dysenterie en maagzweerachtige krampen. Men brengt hem naar het eenzame jachtslot Castel Fiorentino. Wanneer Frederik de naam van het kasteel hoort en helemaal wanneer blijkt dat zijn bed bij een dichtgemetselde deur met ijzeren deurpanelen is geplaatst, weet hij dat het einde nabij is. Zijn hofgeleerde, de magiër Michael Scotus, heeft ooit voorspeld dat Frederik "sub flore" (in het teken van de bloem) zou sterven. Scotus voorspelde dat Frederik "…voor een ijzeren wand zal sterven, zodra hij is aangekomen in een stad met de naam van de bloem."

Aanwezig bij het sterfbed zijn o.a. aartsbisschop Berard van Castacca, Graaf Galvano Lancia, Occursio, zijn zoon Manfred, (schoonzoon) Richard van Caserta, de Meestermaarschalk Pietro Ruffo en diens oomzegger, Falco Ruffo, en de uit Salerno afkomstige lijfarts Giovanni da Procida.

In zijn testament, dat hij op 10 december maakt, benoemt Frederik Koenraad IV (van Isabella van Brienne) tot zijn erfgenaam van het Imperium en het Koninkrijk Sicilië. Van de 19 kinderen die Frederik aanwijsbaar had, worden alleen de wettig geboren kinderen in het testament bedacht. Voor het geval Koenraad zonder zonen zou sterven, wordt Hendrik Carlotto (van Isabella van Engeland) als tweede erfgenaam aangewezen en daarna Manfred (van Bianca Lancia), die wordt benoemd tot stadhouder van het Koninkrijk Sicilie.

Voor het zieleheil van de keizer en voor de herovering van het Heilige Land moeten honderdduizend Goudonsen beschikbaar gesteld worden. De Roomse Kerk moet alle rechten en bezittingen teruggegeven krijgen. Kerken die vernield zijn, moeten worden hersteld. Alle gevangenen behalve hoogverraders dienen te worden vrijgelaten. Kerken en kloosters moeten hun rechten en privileges terugkrijgen. De bezittingen die hij van de Tempeliers onteigend heeft, moeten teruggegeven worden. In het Koninkrijk Sicilië moeten weer de belastingen en leenrechten gelden zoals ten tijde van de Normandische koning Willem II. De Keizer wil bijgezet worden in de kathedraal van Palermo, de rustplaats van zijn vader en zijn moeder, van zijn grootvader Rogier en van zijn eerste vrouw Constance.

Aan de vooravond van zijn dood lijkt het wat beter te gaan. Lijfarts Giovanni da Procida geeft de keizer in suiker gekookte peren om aan te sterken. Maar op 13 december, Santa Lucia, verslechtert zijn toestand. Frederik laat zich een grijze cisterciënzer monnikspij aantrekken, en ontvangt - ondanks zijn excommunicatie - de laatste sacramenten van Berard van Castacca, die hem altijd heeft bijgestaan. Berard neemt hem de biecht af, en heft de banvloek op door de absolutie: "ego te absolvo".

Dan, tegen de morgen van 13 december, sterft Frederik. De kroniekschrijvers vermelden dat de aarde in Apulië beefde in het uur van de dood van de keizer. Een minderbroeder vertelt dat hij, tijdens het uur van Frederiks dood, met eigen ogen heeft hij gezien hoe Frederik met vijfduizend gepantserde ruiters in galop de Etna binnenreed.

In zijn brief aan zijn halfbroer Koenraad, schrijft Manfred: "de zon der rechtvaardigheid die de volkeren verlichtte, is ondergegaan; de vredestichter is overleden."

 

Frederiks hart en ingewanden worden door Manfred bijgezet in een gedenkteken bij de ingang van de dom in Foggia. Frederiks lichaam wordt opgebaard in de troonzaal van Castel Gioia del Colle en van daaruit overgebracht naar Tarente. Vooraan in de stoet lopen Frederiks Saraceense wachten; op hun schouders dragen zij de karmozijnrode baar. In Tarente wordt de baar ingescheept op een zwart schip dat naar Messina vaart. Frederik wordt begraven in de dom van Palermo, bij zijn eerste vrouw Constance van Aragon. Zijn sarcofaag van rode porfier wordt gedragen door vier leeuwen met ineen gestrengelde staarten. Op de lijkwade waarmee hij in zijn kist wordt gelegd zijn Arabische letters geweven.

  

 

Nog tientallen jaren gaat het gerucht rond dat Frederik niet dood is. Men schrijft hem een wonderbaarlijk soort onsterflijkheid toe, en zijn naam blijft verbonden aan de eeuwenoude legende van een grote Christelijke Vredeskeizer. Hij zou "leven en toch niet leven". De Keizer zal terugkomen als de nood het hoogst is en alle hoop opgegeven. Hij zal dan zijn schild aan een dorre boom hangen, die weer loof en bloesem zal dragen. Hij zal de kloosters opheffen en nonnen laten huwen. Wanneer hij terugkomt, zullen monniken hun tonsuur met koemest bedekken zodat ze niet herkenbaar zijn. Dan zal de Keizer ter kruistocht gaan, de heilige graal bevrijden en het rijk der eeuwige vrede stichten.

Door een volkssage van 1519 wordt de legendevorming rondom Frederik verweven met die rond Frederik Barbarossa. Een herder zou Frederik op een gouden zetel hebben gezien bij Kyffhaüser (een voormalige Wodansberg). Frederik zou hem gevraagd hebben of de raven nog rond de berg vlogen. In dat geval zou hij nog 100 jaar slapen.