C2 - Frederiks Normandische voorouders

 

Frederiks voorouders van moederskant (Constanza van Altavilla) zijn oorspronkelijk van Normandische afkomst. 'Normandisch' slaat hierbij op de afkomst van de leidende familie, de Hautevilles, die hun Siciliaanse monarchie vestigden met behulp van Normandische, Italiaanse en andere ridders.

 

 

Vanaf 1016 komen steeds meer Normandische vechtersbazen als huurlingen naar Zuid-Italië. De eerste groep Normandiërs verkrijgen het vorstendom Capua. Tot de tweede groep behoren de twaalf zoons van Tankred d'Hauteville, onder wie Robert Guiscard en zijn broer Rogier. Zij schuiven de kleine vorsten op het vasteland (Napels, Salerno, Amalfi) aan de kant, net als de rivaliserende emirs in het Arabische Sicilië. Vervolgens grepen zij zelf de macht.

Rond 1070 zien de pausen de Normandiërs als mogelijke bondgenoten om Rome te beschermen tegen Duitse of andere indringers. Robert Guiscard, als opvolger van de Byzantijnse doux hertog) in Apulië, kleedt zich als Byzantijns gouverneur en voert een grootse hofhouding.

 

Rogier I

 

Robert Guiscard laat zijn bezittingen na aan zijn jongste zoon Rogier I. In 1098 verleent Paus Urbanus II hem een status vergelijkbaar met die van apostolisch gezant. Urbanus hecht er groot belang aan dat Sicilië binnen de invloedsfeer van de Latijnse kerk gebracht wordt en dat er missiewerk gedaan wordt onder de moslims.

Rogier krijgt het recht bisschoppen te benoemen, kerkelijke inkomsten te innen en om op recht te spreken in Sicilië kerkelijke aangelegenheden. In feite krijgt hij daarmee op Sicilië evenveel autoriteit als de paus zelf. Rogiers wereldse status is niet hoog: hij is graaf van Sicilië en Calabrië, een vazal van de hertog van Apulië, die zelf een pauselijk vazal is.

 

Rogier II

 

Rogier II bedient zich van een sterk gecentraliseerd bestuur, gebouwd op de grondvesten van de Arabische en Byzantijnse heersers vóór hem. Hij ziet zichzelf als volledig autonoom heerser in een eigen territoriale staat; een 'keizer in zijn eigen koninkrijk' - met volledig gezag over zijn onderdanen, zowel wat aardse als wat godsdienstige zaken betreft.

Ten tijde van Rogier II is Latijn nog zo'n weinig gebruikte taal voor de koninklijke documenten dat hij slechts één klerk heeft die in het Latijn schrijft - en die klerk is tegelijk ook nog zijn hofkapelaan. De meeste documenten (driekwart) zijn in het Grieks, de bestuurstaal bij uitstek. Een taal die de Normandiërs begrepen, met een vleugje Arabisch erbij. Rogier II houdt van Griekse preken en spreekt in het openbaar Grieks; zijn zegel en zijn handtekening op documenten zet hij in het Grieks. Pas tegen het einde van de 12e eeuw wordt het gebruik van Grieks minder, en krijgt Latijn de overhand. Rogier II realiseert zich dat, als half Sicilië moslim is, hij er goed aan doet hen voorkomend te behandelen; óók is het van belang de christenen te laten zien dat hij kan beschikken over een arsenaal aan onderdanen dat volkomen op hem is aangewezen. Onder zijn bewind kregen daarom moslimgeleerden nieuwe impulsen.

Na Rogier II wordt het hof snel minder multicultureel. Ten tijde van Frederik II zijn er al  veel minder moslimgeleerden aan het hof. Arabische boeken, in het origineel of in vertaling, en Joodse geleerden die ermee vertrouwd zijn, behouden desondanks de belangstelling van Frederik . Hij correspondeert in het Arabisch met Arabische geleerden - maar het is toch een andere verhouding dan Rogier II had, toen Arabische geleerden prominent aanwezig waren aan zijn hof.

De Normandische koningen bouwen prachtige paleizen in hun hoofdstad. Het Zuidelijk deel van Palermo wordt vrijwel helemaal omringd door parken en meren. Overal lusthoven en zomerhuizen, versierd met mozaïeken in Noord- Afrikaanse stijl en fonteinen.