D1 - Geboorte in Jesi
Na het bekend worden van de plotselinge dood van Tankred van Lecce breken Hendrik VI en zijn vrouw, Constanza van Altavilla, met het leger op vanaf Trifels. Zij vieren eind mei Pinksteren in Milaan. Vanaf Piacenza begeeft de keizer zich verder naar Genua en Pisa, terwijl de zwangere keizerin - nadat de ergste zomerhitte voorbij is - vermoedelijk de gemakkelijkere weg langs de Apennijnen naar het Oosten neemt en van daaraf de kustroute naar het zuiden. Onderweg verblijft zij o.a. in klooster San Vittore in Meda.
Frederik II wordt geboren op 26 december 1194 in Jesi, in de Mark Ancona, zo'n 15 mijl landinwaarts van Ancona. Volgens de legende wordt hij geboren in een tent op het marktplein. Kwade tongen beweren later dat hij de zoon van de slager zou zijn geweest (of van een arts, of van een molenaar, of van een valkenier). De geruchten over Constanza's (schijn-)zwangerschap werden vooral gevoed door het feit dat zij beviel op haar 40e (!) nadat het huwelijk bijna 9 jaar kinderloos was gebleven. Om de geruchten de kop in te drukken zou Constanza het volk van Jesi haar volle borsten hebben getoond.
Frederiks geboorte is omgeven door profetieen en voorspellingen, wat niet verwonderlijk is in een tijd van politieke en geestelijke omwentelingen en de grote onzekerheid die daarmee gepaard gaat. De Bretonse tovenaar Merlijn zou de "wonderlijke en ongehoopte" geboorte van Frederik voorspeld hebben en ook dat Frederik 237 jaar zou leven. Op het hoogtepunt van zijn latere zelfverheerlijking, noemt Frederik zijn geboorteplaats Jesi "Ons Bethlehem" en zijn moeder Constanza "Onze goddelijke moeder". Dat zijn geboortedag een dag na de geboortedag van Christus was, heeft daaraan bijgedragen. Net zoals het feit dat 'Jesi ' lijkt op 'Jezus'.
Direct na zijn geboorte wordt Frederik naar Foligno bij Assisi gebracht en onder de hoede gesteld van de Duitse rijksvorst Koenraad van Urslingen, een Zwabische edelman, die door Frederik Barbarossa was verheven tot hertog van Spoleto. Waarschijnlijk werd hiervoor gekozen vanwege de onzekere situatie in Sicilie en omdat Hendrik VI de Sicilianen niet vertrouwde. Vermoedelijk wilde hij zijn zoon ook dichtbij de beschermende invloed van de paus houden. Foligno lag perfect op de grens van het regnum (koninkrijk Sicilie) en het imperium (keizerrijk). Van hieruit zou Frederik snel naar alle plaatsen kunnen komen als de omstandigheden daartoe aanleiding gaven: Palermo, Aken of Rome.

De bronnen over de doopplechtigheid in de kathedraal van San Rufino (pas eind 1196 of begin 1197 – in het bijzijn van veel kardinalen en bisschoppen – maar zonder de paus) noemen alleen de naam Fridericus doopnamen Rogerius Federicus; Frederik en Rogier: genoemd naar zijn grootvader Frederik Barbarossa, die was verdronken in de Turkse rivier de Saleph, en naar Rogier II, de Noorman die het Zuiden onderwierp. Overigens wordt Frederik gedoopt in hetzelfde doopvont als Franciscus van Assisi en Santa Chiara.
